Citaat | Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 44 Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5456.

Allereerst dient de door het openbaar ministerie opgeworpen vraag te worden beantwoord of artikel 6, eerste lid, EVRM in de onderhavige zaak wel toepassing vindt. Het openbaar ministerie stelt zich immers op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat bij verhoren door een parlementaire enquête-commissie geen sprake is van het bepalen van de gegrondheid van een tegen de verdachte ingestelde strafvervolging. Deze rechtsopvatting deelt het hof niet. Bepalend is - zo blijkt uit het arrest van het EHRM in de zaak Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk(30) - of het gebruik van een tijdens een verhoor door een parlementaire enquêtecommissie afgelegde verklaring in een latere strafzaak zich verdraagt met het nemo tenetur-beginsel. Aan de informatiegaring door een parlementaire enquête-commissie ten behoeve van de waarheidsvinding worden door het bepaalde in artikel 6 EVRM geen beperkingen gesteld, zolang die informatie maar niet (mede) wordt gebruikt als bewijsmateriaal met het oog op het bepalen van de gegrondheid van een tegen de verdachte ingestelde strafvervolging. Zolang het verhoor door een parlementaire enquêtecommissie zich niet (mede) richt op de vraag of de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk is, behoeft aan de getuige geen verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 van het Wetboek van Strafvordering te worden toegekend. Een en ander laat onverlet dat een getuige te allen tijde ten overstaan van een parlementaire enquête-commissie met het oog op het keren van het gevaar dat hij door te antwoorden op hem gestelde vragen zich aan strafvervolging zou blootstellen, op het nemo-tenetur-beginsel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM een beroep kan doen. Of een zodanig beroep wordt gehonoreerd, staat evenwel - gezien de rechtspraak van het EHRM - ter beoordeling van de parlementaire enquêtecommissie. Hierbij zal onder meer van belang zijn in hoeverre door het openbaar ministerie, ingeval de getuige niettegenstaande zijn beroep op het nemo tenetur-beginsel wordt verplicht een verklaring af te leggen, aan de getuige strafrechtelijke immuniteit wordt verleend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e, en de alinea staat in dat document op bytes 16065 tot 18187.