Citaat | Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 45 Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5456.

Het hof gaat er daarbij vanuit dat het nemo tenetur-beginsel zodanig verstrekkend is dat een beroep op dit beginsel niet alleen toekomt aan degene die door te verklaren rechtstreeks in een strafrechtelijke procedure te gebruiken 'bewijsmateriaal' tegen zichzelf zou verschaffen (hetgeen door het bepaalde in artikel 24 WPE wordt geblokkeerd), maar dat dit recht ook toekomt aan degene die door (in het openbaar) te verklaren zichzelf als verdachte zou afficheren door opsporingsorganen een te onderzoeken verdenking jegens hemzelf te verschaffen, die zij zonder die verklaring niet (onmiddellijk) zouden hebben gekregen. Het hof constateert daarbij terzijde dat de door de verdediging gestelde verdenking ter zake van in het kader van het 'saptraject' gepleegde strafbare feiten (zie 6.2.3.3.) een rechtstreeks gevolg zou moeten zijn van de verklaringen van [betrokkene 1], zodat in zoverre [verdachte] door te verklaren de opsporingsorganen niet op een nieuw spoor zou hebben gezet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e, en de alinea staat in dat document op bytes 18195 tot 19191.