Citaat | Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 63 Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5456.

6.3.7. Tot slot nog een enkele opmerking over de brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie bouwfraude van de Tweede Kamer van 18 januari 2002(38), waaruit de verdediging bij repliek uitvoerig heeft geciteerd. Deze brief heeft betrekking op de problemen die zich kunnen voordoen bij de samenloop van een parlementair onderzoek en een strafrechtelijk onderzoek. Geen van de door de Minister van Justitie geschetste problemen heeft betrekking op de keuze die nu juist [verdachte] heeft gemaakt, namelijk het afleggen van een verklaring in parlementair onderzoek, welke een redelijk vermoeden van schuld aan meineed opleverde. "Het beste wat een verdachte dan ook kan doen" - aldus de Minister van Justitie - "is pogen door een parlementaire enquĂȘtecommissie te worden gehoord, daar een volledige bekentenis af te leggen waarmee hij zich in een positie brengt die nog het meest lijkt op strafrechtelijke immuniteit."(39) Maar dat heeft [verdachte] nu juist niet gedaan."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e, en de alinea staat in dat document op bytes 29282 tot 30314.