Citaat | Hoge Raad 8 juli 2003
Alinea 79 Hoge Raad 8 juli 2003
Een alinea uit Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5456.
5.3.2. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten aanzien van wie is bewezenverklaard dat hij ten overstaan van de PEC Opsporingsmethoden in het verband van een parlementaire enquête opzettelijk onder ede een valse verklaring heeft afgelegd. De voor een dergelijke enquête geldende procedure is voorzien in de WPE. Ingevolge die wet zijn getuigen verplicht te voldoen aan een oproeping van de PEC en zijn zij verplicht op de gestelde vragen te antwoorden. De PEC kan getuigen onder ede horen. Het niet verschijnen of het weigeren te antwoorden op door de PEC gestelde vragen kan leiden tot strafvervolging van de desbetreffende getuige. In art. 24 WPE is bepaald dat verklaringen afgelegd voor of op vordering van de PEC niet als bewijs in rechte kunnen gelden, hetzij tegen degene door wie zij zijn afgelegd, hetzij tegen derden, een en ander behoudens in geval van meineed.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e, en de alinea staat in dat document op bytes 32331 tot 33221.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e | shasum -a 256