Citaat | Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 81 Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5456.

5.4. Verweer en middel berusten op de stelling dat de door de verdachte ten overstaan van de PEC Opsporingsmethoden als getuige afgelegde (meinedige) verklaring onder dwang is afgelegd en dat dientengevolge de hiervoor onder 5.3.1 bedoelde, uit art. 6 EVRM voortvloeiende rechten zijn geschonden. Voorzover daarbij het uitgangspunt wordt betrokken dat een door de PEC te verhoren getuige in de enquĂȘteprocedure op genoemde, uit art. 6 EVRM voortvloeiende, waarborgen aanspraak heeft, wordt miskend dat die procedure niet door art. 6 EVRM wordt bestreken, nu zij niet strekt tot "determination of a criminal charge".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e, en de alinea staat in dat document op bytes 33459 tot 34088.