Citaat | Hoge Raad 13 juni 2003

Alinea 48 Hoge Raad 13 juni 2003

Een alinea uit Hoge Raad 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5529.

3.4.4 Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing van een beslag vordert, met inachtneming van de beperkingen van het kort geding aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, zij het dat de kortgedingrechter dient te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen (HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481). Gelet daarop geeft het oordeel van het Hof, opgevat zoals hiervoor in 3.4.2 uiteengezet, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Voorzover het middel bedoelt hierover te klagen, faalt het derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a638c5ae138adae24f8fa4ad6aad29a16a9cf25f0543664ae3a7137fabeb4e40. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a638c5ae138adae24f8fa4ad6aad29a16a9cf25f0543664ae3a7137fabeb4e40, en de alinea staat in dat document op bytes 12732 tot 13561.