Citaat | Hoge Raad 10 juni 2003

Alinea 52 Hoge Raad 10 juni 2003

Een alinea uit Hoge Raad 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6597.

3.5. Uit de bewoordingen van art. 29, eerste lid, UW en de hiervoren weergegeven wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat de wetgever niet heeft willen weten van het verlenen van verstek tegen een opgeëiste persoon die niet is verschenen op de zitting die is bepaald met het oog op zijn verhoor aangaande het verzoek tot zijn uitlevering. Ingeval de opgeëiste persoon op de bedoelde zitting niet is verschenen, dient de Rechtbank - behoudens wanneer aldaar een op de voet van art. 29, eerste lid, UW in verbinding met art. 279 Sv uitdrukkelijk gemachtigde raadsman is verschenen - op grond van art. 25, vierde lid, UW de dagvaarding van de opgeëiste persoon te gelasten tegen een nader te bepalen tijdstip, doch uitsluitend indien zij zijn aanwezigheid bij het verhoor wenselijk acht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/846368d4a8ccbb7b71776d42fc864ac3600fc5215554a3a8c696c233803ddcca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 846368d4a8ccbb7b71776d42fc864ac3600fc5215554a3a8c696c233803ddcca, en de alinea staat in dat document op bytes 15781 tot 16582.