Citaat | Hoge Raad 10 juni 2003
Alinea 53 Hoge Raad 10 juni 2003
Een alinea uit Hoge Raad 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6597.
De art. 25, vierde lid, en 29, eerste lid, UW staan derhalve niet in de weg aan de behandeling van een uitleveringsverzoek ingeval noch de opgeëiste persoon noch een op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter zitting is verschenen, behoudens indien de Rechtbank de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het verhoor wenselijk oordeelt. Die wenselijkheid kan - gelet op de wetsgeschiedenis - geacht worden te ontbreken wanneer er geen twijfel aan bestaat dat de opgeëiste persoon degene is om wiens uitlevering is verzocht, hij zich in Nederland bevindt, en hem tevens op de voet van art. 24, tweede lid, UW mededeling is gedaan van het voor zijn verhoor bepaalde tijdstip zodat hij in de gelegenheid is gesteld aldaar de in art. 26, derde lid, UW bedoelde bewering naar voren te (doen) brengen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/846368d4a8ccbb7b71776d42fc864ac3600fc5215554a3a8c696c233803ddcca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 846368d4a8ccbb7b71776d42fc864ac3600fc5215554a3a8c696c233803ddcca, en de alinea staat in dat document op bytes 16590 tot 17413.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/846368d4a8ccbb7b71776d42fc864ac3600fc5215554a3a8c696c233803ddcca | shasum -a 256