Citaat | Hoge Raad 30 september 2003

Alinea 62 Hoge Raad 30 september 2003

Een alinea uit Hoge Raad 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7331.

3.7. In het onderhavige geval is bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van het misdrijf van art. 10a Opiumwet door het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de verstrekking van harddrugs aan anderen, die opsporingsambtenaren bleken te zijn. Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de opsporing daarop was gericht, in het kader van de bestrijding van overlast door zogenaamde drugsrunners, en dat er van de zijde van de politie niet de bedoeling aanwezig was om daadwerkelijk tot aankoop over te gaan, waarin besloten ligt dat geen afspraken zijn gemaakt die onder meer strekten tot aflevering van de goederen. Gelet daarop en op hetgeen hiervoor onder 3.6 is overwogen geeft het oordeel van het Hof dat in dit geval geen sprake was van pseudokoop in de zin van art. 126i Sv geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/49bd09aaa8369ec636701d72b634bb555113d6276102e2bd63329991d23d09e0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 49bd09aaa8369ec636701d72b634bb555113d6276102e2bd63329991d23d09e0, en de alinea staat in dat document op bytes 17271 tot 18216.