Citaat | Hoge Raad 18 april 2003

Alinea 22 Hoge Raad 18 april 2003

Een alinea uit Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498.

3.5. Het middel slaagt echter voorzover het is gericht tegen 's Hofs oordeel dat de in zijn uitspraak onder 2.5 tot en met 2.15 vastgestelde feiten en omstandigheden, elk op zichzelf en in onderlinge samenhang beschouwd, het vermoeden rechtvaardigen dat belanghebbende in het onderhavige jaar voor zijn onderneming beschikte over een vaste vertegenwoordiger hier te lande in de persoon van J en dat belanghebbende het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan doen blijken. Het is niet duidelijk of het Hof met dit oordeel voortbouwt op zijn bevinding dat sprake is van omkering van de bewijslast dan wel oordeelt op grond van de gewone bewijsregels, maar wat daarvan zij, in ieder geval biedt dit oordeel onvoldoende inzicht in 's Hofs gedachtegang. Doordat het Hof hier slechts een bewijsoordeel geeft zonder daarbij duidelijk te maken welke criteria het heeft aangelegd voor de aanwezigheid van een vaste vertegenwoordiger en welke feiten het in dit verband al dan niet van belang heeft geacht, kan niet worden beoordeeld of het Hof is uitgegaan van een juiste opvatting van het begrip vaste vertegenwoordiger. 's Hofs uitspraak kan daarom niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3b9886138f8fffb0adeae8dfe6e57004bed75fea141216ae7fee40b9cedc06c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3b9886138f8fffb0adeae8dfe6e57004bed75fea141216ae7fee40b9cedc06c4, en de alinea staat in dat document op bytes 9968 tot 11181.