Citaat | Hoge Raad 11 juli 2003
Alinea 55 Hoge Raad 11 juli 2003
Een alinea uit Hoge Raad 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7535.
3.4 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte middel wordt het volgende vooropgesteld. In geval van faillissement worden aan een beroep op verrekening ingevolge art. 53 F. minder zware eisen gesteld dan buiten faillissement voortvloeit uit art. 6:130 BW: voldoende is dat de schuld en de vordering beide reeds bestonden voor de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen die voor de faillietverklaring met de gefailleerde zijn verricht. De vordering op de gefailleerde hoeft dus niet, zoals buiten faillissement wél het geval is, liquide te zijn. Dit is in HR 21 januari 1983, nr. 12.010, NJ 1983, 513 onder meer gemotiveerd met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 53, lid 1, F., waarin is opgemerkt dat iedere schuldeiser van de boedel zijn schuld aan de boedel als 'onderpand' mag beschouwen voor de betaling van zijn vordering. Daarmee strookt niet, aldus de Hoge Raad in zijn zojuist genoemde arrest, aan het in art. 53, lid 1, F. bedoelde beroep op schuldvergelijking/ verrekening de eis te stellen dat de desbetreffende vordering spoedig en op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1f54a77e4af85cf70f80a1969470cbfb8e4b24e7076e8bf2c4905b3d8cd17efc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1f54a77e4af85cf70f80a1969470cbfb8e4b24e7076e8bf2c4905b3d8cd17efc, en de alinea staat in dat document op bytes 14306 tot 15436.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1f54a77e4af85cf70f80a1969470cbfb8e4b24e7076e8bf2c4905b3d8cd17efc | shasum -a 256