Citaat | Hoge Raad 5 september 2003
Alinea 61 Hoge Raad 5 september 2003
Een alinea uit Hoge Raad 5 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7537.
In de conclusie van repliek in oppositie heeft [eiser] erkend dat hij [verweerder 2] in het verleden eens heeft gevraagd om borg te staan voor een bedrag van DM 3.000.000,-- tegen een vooraf overeengekomen vergoeding van ƒ 3.000.000,--. Volgens [eiser] zijn partijen daarna nader overeengekomen dat [eiser] te dezer zake een bedrag van ƒ 872.000,-- contant aan [verweerder 2] zou betalen, zoals ook is geschied. [eiser] is tot het bewijs van deze stelling toegelaten. In haar eindvonnis van 14 september 1999 heeft de rechtbank hem in dat bewijs niet geslaagd geacht en de vordering van [verweerder 2] toegewezen. Bij akte van procureur tot procureur van 3 november 1999 heeft [eiser] ter zake van de voormelde erkenning in de conclusie van repliek in oppositie een vordering tot ontkenning daarvan ingesteld. De rechtbank heeft deze vordering in haar vonnis van 5 december 2000 afgewezen - in hoofdzaak - op de grond dat [eiser] door de bedoelde erkenning niet daadwerkelijk is geschaad. In hoger beroep heeft [eiser] zijn désaveu-vordering ook uitgestrekt tot hetgeen in de verzet-dagvaarding over hetzelfde onderwerp was vermeld. Het hof heeft het meest verstrekkend verweer van [verweerder 2] dat [eiser] de onderhavige procedure te laat heeft ingesteld, aanvaard en het vonnis van de rechtbank met verbetering van gronden bekrachtigd. Daartoe heeft het hof (in rov. 4.10) overwogen dat de gevolgen van een geslaagde désaveu-vordering zeer ingrijpend zijn, omdat daardoor de procedure wordt teruggedraaid tot het moment van de gewraakte proceshandeling en reeds het instellen van de vordering leidt tot schorsing van hetgeen in de zaak is beslist. Op grond hiervan brengt naar het oordeel van het hof de goede procesorde mee dat van dit rechtsmiddel met grote terughoudendheid gebruik dient te worden gemaakt en dat van degene die erachter komt dat zijn procureur een onder art. 263 (oud) Rv. vallende proceshandeling, zoals in dit geval een erkenning, heeft verricht zonder daartoe bevoegd te zijn, mag worden verwacht dat deze het middel met bekwame spoed toepast om te voorkomen dat verdere proceshandelingen plaatsvinden voordat op een désaveu-vordering is beslist. Het niet met bekwame spoed opwerpen van het incident is, aldus het hof, in strijd met een goede procesorde te achten, zodat de partij die dit nalaat, geacht mag worden ervan afgezien te hebben en gekozen te hebben voor een voortzetting van de procedure op basis van de verrichtte proceshandeling, ook al was deze onbevoegd verricht. Het ontbreken van een wettelijke termijn voor het instellen van deze vordering kan daaraan volgens het hof niet afdoen. Vervolgens heeft het hof geoordeeld (in rov. 4.11) dat [eiser] naar aanleiding van het tussenvonnis van 20 oktober 1998 als getuige is gehoord en dat het hoogst onaannemelijk is dat een partij die in zijn eigen zaak als getuige gaat optreden, zich niet op de hoogte stelt van de inhoud van de procedure en de daarbij behorende stukken, waaronder de eigen processtukken en het tussenvonnis waarin de bewijsopdracht is gegeven. Door [eiser] zijn, aldus het hof, geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat die onwaarschijnlijke situatie zich hier zou hebben voorgedaan. De consequentie hiervan is dat het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] in ieder geval ten tijde van het getuigenverhoor van de onbevoegd verrichte erkenningen op de hoogte was.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d7934754f2cd893f6fb83d9f7e5482280873146ae13270f43b023925358d202. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d7934754f2cd893f6fb83d9f7e5482280873146ae13270f43b023925358d202, en de alinea staat in dat document op bytes 15248 tot 18667.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9d7934754f2cd893f6fb83d9f7e5482280873146ae13270f43b023925358d202 | shasum -a 256