Citaat | Hoge Raad 5 september 2003
Alinea 73 Hoge Raad 5 september 2003
Een alinea uit Hoge Raad 5 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7537.
3.4.4 Ten slotte klaagt het onderdeel (II.2) dat het hof zijn oordeel dat erop neerkomt dat [eiser] zijn bevoegdheid om het rechtsmiddel van désaveu in te stellen heeft verwerkt, in het licht van de in het onderdeel vermelde bijzondere omstandigheden onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook deze klacht faalt. Gelet op hetgeen hiervóór in 3.3.3 is overwogen, moest [eiser] de vordering tot ontkenning van de onbevoegd verrichte proceshandelingen zo spoedig mogelijk na de ontdekking van de namens hem gedane erkenningen instellen. Het hof heeft aangenomen dat [eiser] in ieder geval ten tijde van het getuigenverhoor op 12 februari 1999 van die erkenningen op de hoogte was. De door [eiser] aangevoerde omstandigheden vormen naar het oordeel van het hof - dat daarbij, zoals vermeld, een juiste maatstaf heeft aangelegd - kennelijk geen rechtvaardiging voor het feit dat hij pas op 3 november 1999 deze vordering heeft ingesteld. Dit aan het hof als de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden oordeel behoefde geen nadere motivering.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d7934754f2cd893f6fb83d9f7e5482280873146ae13270f43b023925358d202. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d7934754f2cd893f6fb83d9f7e5482280873146ae13270f43b023925358d202, en de alinea staat in dat document op bytes 24976 tot 26029.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9d7934754f2cd893f6fb83d9f7e5482280873146ae13270f43b023925358d202 | shasum -a 256