Citaat | Hoge Raad 24 juni 2003

Alinea 124 Hoge Raad 24 juni 2003

Een alinea uit Hoge Raad 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8058.

15. Het Hof heeft onder de bewijsmiddelen opgenomen de verklaring van de verdachte dat hij beseft dat hij het HIV-virus kan overdragen en dat hij weet wat de gevolgen daarvan zijn. Maar daar voegt hij aan toe dat hij tegen [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1]; WHV) heeft gezegd dat men er hier in Nederland niet aan dood gaat als je er op tijd bij bent. Die uitlating wijst er op dat verdachte de kans op de dood ten gevolge van het overdragen van het HIV-virus wel heeft beseft, maar deze niet willens en wetens heeft aanvaard omdat hij kennelijk heeft geleefd in de veronderstelling dat een HIV-besmetting niet meer dodelijk is. Daarom meen ik dat nog los van het bewijs van de aanmerkelijke kans de bewezenverklaring ook ten aanzien van het willens en wetens aanvaarden daarvan onvoldoende met redenen is omkleed. Zoals de Hoge Raad in genoemd arrest leert (rov. 3.6) is voor voorwaardelijk opzet immers niet voldoende dat de verdachte van de aanmerkelijke kans op het kwade gevolg op de hoogte is maar is ook vereist ook dat hij die aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Is dat laatste niet het geval dan kan er ten hoogste sprake zijn van bewuste schuld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dc00c26531f5292f093924a2928cf4d5ee3117d3e969ddc8b1d73653deac6149. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dc00c26531f5292f093924a2928cf4d5ee3117d3e969ddc8b1d73653deac6149, en de alinea staat in dat document op bytes 37678 tot 38865.