Citaat | Hoge Raad 19 september 2003

Alinea 42 Hoge Raad 19 september 2003

Een alinea uit Hoge Raad 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8273.

3.1 In de procedure die door [verweerder 1] als eiser wordt gevoerd tegen de Staat, heeft het Hof in hoger beroep [verweerder 1] bewijs opgedragen van zijn stellingen dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst (verder: de BVD) er de hand in heeft gehad dat hij in 1979 is ontslagen als medewerker van de Maatschappelijke Dienstverlening Eemland en verder in tal van sollicitatieprocedures geen schijn van kans maakte op een benoeming. [Verweerder 1] heeft, onder anderen, [eiser], in zijn hoedanigheid van hoofd van de BVD, als getuige doen oproepen om te verschijnen ter zitting van 20 september 2001. [Eiser], die niet op de zitting is verschenen, heeft incidenteel gevorderd dat de raadsheer-commissaris zijn oproeping buiten effect stelt en/of [verweerder 1] daarin niet-ontvankelijk verklaart en/of verklaart dat [eiser] zich kan verschonen van de verplichting te verschijnen en te getuigen. De raadsheer-commissaris heeft het beroep op verschoningsrecht en de daarmee samenhangende nevenvorderingen van [eiser] afgewezen. Daartegen keert zich het middel met rechts- en motiveringsklachten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/becd4f27ac7611eaafbe2b9fd531cf603946926cb72f89297e2c21abaf9cdeb4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt becd4f27ac7611eaafbe2b9fd531cf603946926cb72f89297e2c21abaf9cdeb4, en de alinea staat in dat document op bytes 10037 tot 11140.