Citaat | Hoge Raad 19 september 2003

Alinea 46 Hoge Raad 19 september 2003

Een alinea uit Hoge Raad 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8273.

3.5 Gelet op hetgeen hiervóór in 3.4 is overwogen, klaagt onderdeel 1 van het middel terecht dat de raadsheer-commissaris in rov. 1 van zijn arrest, waarin hij overweegt dat de vordering van [eiser] ertoe strekt dat in rechte wordt vastgesteld dat [eiser] het recht heeft zich te verschonen van het afleggen van een getuigenverklaring en in verband daarmee niet ter zitting behoeft te verschijnen, aan die vordering een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven. De door [eiser] aangevoerde stellingen laten immers geen andere uitleg toe dan dat hij - naar [verweerder 1] wist en ook niet heeft betwist - uit eigen wetenschap geen verklaring zal kunnen en mogen afleggen over het probandum en dat daarom zijn verschijnen zinloos is, zodat [verweerder 1] door daaraan vast te houden misbruik maakt van procesrecht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/becd4f27ac7611eaafbe2b9fd531cf603946926cb72f89297e2c21abaf9cdeb4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt becd4f27ac7611eaafbe2b9fd531cf603946926cb72f89297e2c21abaf9cdeb4, en de alinea staat in dat document op bytes 16038 tot 16861.