Citaat | Hoge Raad 21 november 2003
Alinea 38 Hoge Raad 21 november 2003
Een alinea uit Hoge Raad 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8531.
3.3.2. Het is echter niet zonder meer duidelijk wat de nationale rechter moet doen, indien een belanghebbende in een geschil over de indeling in de GN een beroep doet op een aan een derde afgegeven bindende tariefindeling en die rechter van oordeel is dat die bindende tariefinlichting niet in overeenstemming is met de GN. Dient hij dan vragen van uitlegging van de GN te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, ook indien hij van oordeel is dat aan de onjuistheid van die inlichting redelijkerwijs niet getwijfeld kan worden? Voor een bevestigend antwoord op deze vraag pleit dat dan zowel de juiste, als ook de eenvormige toepassing van de GN in de Gemeenschap wordt gewaarborgd doordat een bindende tariefinlichting mede haar geldigheid verliest, wanneer zij door een arrest van het Hof van Justitie niet langer verenigbaar is met de uitlegging van de GN (artikel 12, lid 5, letter a, onderdeel ii, eerste gedachtestreepje, van het CDW).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/404cba9cccc038fe2e3c9ad559257e8268bee2d3f497877a030e7f962dae433f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 404cba9cccc038fe2e3c9ad559257e8268bee2d3f497877a030e7f962dae433f, en de alinea staat in dat document op bytes 14950 tot 15930.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/404cba9cccc038fe2e3c9ad559257e8268bee2d3f497877a030e7f962dae433f | shasum -a 256