Citaat | Hoge Raad 12 september 2003

Alinea 36 Hoge Raad 12 september 2003

Een alinea uit Hoge Raad 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8560.

4.2 Onderdeel 3 van het middel dat klaagt dat de rechtbank (in rov. 17) ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, heeft geoordeeld dat [verweerster] aan het stilzwijgen van [eiser] het vertrouwen mocht ontlenen dat deze geen rechten (meer) ter zake van niet-genoten vakantiedagen zou laten gelden, berust op een onjuiste lezing van het vonnis en kan daarom wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft immers niet beslist dat [verweerster] reeds aan het stilzwijgen van [eiser] het vertrouwen mocht ontlenen dat hij zijn rechten niet (meer) geldend zou maken. De rechtbank heeft geoordeeld dat van rechtsverwerking sprake is als is voldaan aan twee voorwaarden, namelijk (i) dat [eiser] de kwestie van de niet-genoten vakantiedagen tijdens zijn dienstverband nimmer bij [verweerster] ter sprake heeft gebracht en (ii) dat [verweerster] op grond hiervan in de gegeven omstandigheden mocht vertrouwen dat [eiser] te dezen geen rechten (meer) geldend zou maken. Hieruit volgt dat de rechtbank na bewijslevering aan de hand van alle gestelde omstandigheden nog zal moeten beoordelen of [verweerster] aan - mocht dat komen vast te staan - het stilzwijgen van [eiser] het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat [eiser] zijn rechten te dezer zake niet (meer) zou uitoefenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/708c8c10ff220f1419444b2ca302946f1597c624e03e710f193fe86fcd505e03. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 708c8c10ff220f1419444b2ca302946f1597c624e03e710f193fe86fcd505e03, en de alinea staat in dat document op bytes 10466 tot 11799.