Citaat | Hoge Raad 26 september 2003

Alinea 54 Hoge Raad 26 september 2003

Een alinea uit Hoge Raad 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8575.

4.2.2 Het hof, dat kennelijk en terecht heeft geoordeeld dat geen rechtsregel zich ertegen verzet de wilstoestand van de moeder voorafgaand aan en ten tijde van het sluiten van de optieovereenkomst in aanmerking te nemen bij de beantwoording van de vraag of uitoefening van het recht op nakoming door [eiser] naar voormelde maatstaven onaanvaardbaar is, heeft zijn bevestigend antwoord op die vraag in hoofdzaak op drie pijlers doen steunen. De eerste daarvan is dat [eiser] wist dat zijn moeder steeds heeft gestreefd naar een gelijke bevoordeling van haar drie kinderen; de tweede, dat [eiser] heeft moeten begrijpen dat zijn 89-jarige moeder, die zich nooit met het beheer van de effectenportefeuille had beziggehouden, nimmer de bedoeling kan hebben gehad om geheel buiten [verweerders] om met hem een zo verstrekkende afspraak als de optieovereenkomst te maken; de derde, dat [eiser], toen zijn moeder op zijn verzoek de brief van 15 december 1995 ondertekende, niet aan haar heeft gezegd dat hij daardoor in het bezit zou kunnen komen van een groot deel van de aandelenportefeuille. Daarnaast heeft het hof, blijkens de verwijzing naar (de conclusies van) het kortgedingvonnis van 6 oktober 1998, kennelijk bij zijn oordeel mede gewicht toegekend aan het feit dat [eiser] en zijn moeder het er destijds over eens waren dat hij een redelijke vergoeding zou krijgen voor het beheer van de effectenportefeuille alsook aan het feit dat zij steeds duidelijk aan [eiser] heeft gezegd dat zij verlangde dat hij met [verweerders] overeenstemming zou bereiken over de wijze waarop die vergoeding zou worden vastgesteld. Deze gronden, die erop neerkomen dat uitoefening van het recht op nakoming door [eiser] zou leiden tot een uitkomst die, naar hij van het begin af aan heeft moeten begrijpen, volstrekt onverenigbaar is met zowel het hem bekende streven van zijn moeder om haar drie kinderen gelijkelijk te bevoordelen als haar bedoeling dat hij voor het beheer een redelijke, door hem in overleg met [verweerders] te bepalen, vergoeding zou ontvangen, vormen een toereikende motivering van 's hofs oordeel dat uitoefening van het recht op nakoming van de optieovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Onbegrijpelijk is dit oordeel niet. Onderdeel b faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1aa5869a146ea0dc77ce70630526ec28f0fb0308cb330901cd5ac1395ef6c045. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1aa5869a146ea0dc77ce70630526ec28f0fb0308cb330901cd5ac1395ef6c045, en de alinea staat in dat document op bytes 14767 tot 17074.