Citaat | Hoge Raad 26 september 2003
Alinea 77 Hoge Raad 26 september 2003
Een alinea uit Hoge Raad 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9414.
4.8 Onderdeel 2 is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de Regiopolitie de aan haar toerekenbare schijn heeft gewekt dat [betrokkene 2] vertegenwoordigingsbevoegd was, waaraan niet afdoet dat [betrokkene 2] in mei 1993 aan De Veth heeft medegedeeld dat niet hij, maar [betrokkene 3] bevoegd was de huurovereenkomst te ondertekenen. Het onderdeel stelt dat de vraag of het ontbreken van de bevoegdheid een ander te vertegenwoordigen wordt geheeld door de aan die ander toe te rekenen schijn van bevoegdheid, dient te worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst tot stand komt. Indien de rechtbank dit heeft miskend, geeft haar vonnis blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien dit niet het geval is, valt zonder - ontbrekende - motivering niet in te zien waarom in de gegeven omstandigheden het feit dat Hovax (c.q. De Veth) voor het sluiten van de overeenkomst heeft begrepen dat niet [betrokkene 2] maar de korpschef [betrokkene 3] bevoegd was de overeenkomst te sluiten, niet eraan in de weg staat dat de overeenkomst tot stand kon komen zonder dat de korpschef daarmee had ingestemd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ec869858709431e9b59733923d8e5ac09075b30145baad2f08b14a9299ce18f8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ec869858709431e9b59733923d8e5ac09075b30145baad2f08b14a9299ce18f8, en de alinea staat in dat document op bytes 30366 tot 31494.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ec869858709431e9b59733923d8e5ac09075b30145baad2f08b14a9299ce18f8 | shasum -a 256