Citaat | Hoge Raad 7 oktober 2003

Alinea 18 Hoge Raad 7 oktober 2003

Een alinea uit Hoge Raad 7 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9473.

"7.1. Met betrekking tot de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde heeft het hof onder 6 van het arrest overwogen, dat weliswaar de tenlastegelegde verduistering niet bewezen kan worden, maar dat het hof er van overtuigd is dat het de veroordeelde is geweest die - met behulp van listige kunstgrepen en/of het aannemen van een valse hoedanigheid - de bank heeft bewogen hem het geld af te geven. Voorts overweegt het hof dat het er geen enkele twijfel over heeft dat de veroordeelde zich wederrechtelijk meester heeft gemaakt van het bedoelde bedrag van Bfrs 7.500.000,-. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten tot een bedrag van Bfrs 7.500.000,- (gelijk aan € 185.920,14) door middel van een strafbaar feit dat het hof soortgelijk acht als de onder 3 bewezenverklaarde feiten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb68af3c5c9cc4959ecfc2c795d6f060fce38b3e877ea3a58b9b9804599cf0d9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb68af3c5c9cc4959ecfc2c795d6f060fce38b3e877ea3a58b9b9804599cf0d9, en de alinea staat in dat document op bytes 8061 tot 8952.