Citaat | Hoge Raad 19 december 2003
Alinea 55 Hoge Raad 19 december 2003
Een alinea uit Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9710.
3.11.4 Onderdeel 3.2 klaagt voorts dat, voor zover het hof bedoelt dat de andere resultaten van de inhibitietest bij toepassing op Wistar-antilichamen enerzijds en op de antilichamen geclaimd in octrooiconclusie 1 van het aangevallen octrooi anderzijds teweegbrengen dat deze antilichamen op relevante wijze van elkaar worden onderscheiden, dit oordeel zonder te dezen ontbrekende motivering onbegrijpelijk is. Deze klacht faalt evenwel, omdat zij uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat op de prioriteitsdatum reeds een antilichaam als bedoeld in octrooiconclusie 1 bekend zou zijn en wel op zodanige wijze dat de gemiddelde vakman, bekend met de stand van de techniek, dit antilichaam zou kunnen (na)maken. Het hof is echter juist ervan uitgegaan dat een dergelijk antilichaam toen nog niet bestond en achtte om deze reden de uitvinding van [verweerder] c.s. voldoende inventief.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1908867225ee206e8bf1e4c3333737d46f4c21be0dab416b2986a60dee43e4f0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1908867225ee206e8bf1e4c3333737d46f4c21be0dab416b2986a60dee43e4f0, en de alinea staat in dat document op bytes 21055 tot 21954.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1908867225ee206e8bf1e4c3333737d46f4c21be0dab416b2986a60dee43e4f0 | shasum -a 256