Citaat | Hoge Raad 7 november 2003

Alinea 47 Hoge Raad 7 november 2003

Een alinea uit Hoge Raad 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0355.

3.6 Onderdeel 4 klaagt dat het hof geen aandacht heeft besteed aan het betoog in het kader van grief III, dat het hof in het advies een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat de opgeëiste persoon niet erin is geslaagd "onverwijld aan te tonen hieraan niet schuldig te zijn", welke maatstaf niet strookt met art. 9 lid 3, onder b, van het Uitleveringsverdrag, waarin als criterium is neergelegd dat volgens het recht van de aangezochte staat door het bewijsmateriaal de dagvaarding van die persoon zou zijn gerechtvaardigd indien dat feit in die staat zou zijn gepleegd. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, omdat het hof, zoals het in rov. 4.19 ook tot uitdrukking heeft gebracht, niet gehouden was op iedere stelling van [eiser] c.s. met betrekking tot beweerde misslagen in het advies in te gaan. Kennelijk heeft het hof in de betrokken passage van het advies alleen een weerlegging van een door [eiser] c.s. gevoerd verweer gelezen en niet de formulering van de maatstaf waaraan de toelaatbaarheid van de uitlevering moet worden getoetst. Dit is niet onbegrijpelijk nu het hof blijkens het advies heeft geoordeeld dat het bewijsmateriaal voldeed aan de maatstaf van art. 9 lid 3, onder b, van het Verdrag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6510aa16e14a9d3cf88fcc06c35da264b396f556828f4b426fc4f00863a05b12. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6510aa16e14a9d3cf88fcc06c35da264b396f556828f4b426fc4f00863a05b12, en de alinea staat in dat document op bytes 18834 tot 20081.