Citaat | Hoge Raad 31 oktober 2003
Alinea 33 Hoge Raad 31 oktober 2003
Een alinea uit Hoge Raad 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0865.
3.3 De rechtbank heeft in rov. 4.4 overwogen dat [eiser] slechts in algemene bewoordingen heeft gesteld dat hij bijdroeg in de kosten van de huishouding, daartoe maandelijks een bedrag aan [betrokkene 1] betaalde, vaak de huishoudelijke uitgaven betaalde en - kort gezegd - dat zij samenleefden als man en vrouw. Daarmee heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om tot bewijs van de duurzame samenleving te worden toegelaten. Aldus heeft zij onvoldoende inzicht gegeven in haar gedachtegang, nu uit haar overwegingen niet valt af te leiden op grond waarvan zij van oordeel is dat deze feiten, zo zij zouden komen vast te staan, ook in verbinding met het niet omstreden feit dat [eiser] in de woning zijn woonplaats had, hetzij nimmer hetzij in het onderhavige geval niet tot de slotsom kunnen leiden dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Evenmin is duidelijk welke concrete feiten en omstandigheden [eiser] had moeten aanvoeren en/of welke stukken hij had moeten overleggen om de gemeenschappelijke huishouding te staven. Hierbij is voorts van belang dat, anders dan de rechtbank in rov. 4.4 kennelijk heeft geoordeeld, van een partij die aanbiedt zijn stellingen te bewijzen, niet gevergd kan worden dat hij, wil hij tot dit bewijs worden toegelaten, op voorhand zijn stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt. Met de desbetreffende oordelen heeft de rechtbank dan ook hetzij blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de inhoud van de stelplicht hetzij deze oordelen onvoldoende gemotiveerd. In dit verband merkt de Hoge Raad op dat, waar de rechtbank van [eiser] verlangt dat hij ter staving van de gemeenschappelijke huishouding bij voorbeeld stukken met betrekking tot een gemeenschappelijke bankrekening of belastingaangiften overlegt, zij eraan voorbijziet dat dergelijke stukken weliswaar kunnen bijdragen tot het oordeel dat een gemeenschappelijke huishouding bestaat, maar dat het ontbreken daarvan niet aan dit oordeel in de weg behoeft te staan. Voorts tekent de Hoge Raad aan dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de stelling van [eiser] dat tussen hem en mevrouw [betrokkene 1] een gemeenschappelijke duurzame huishouding bestond, niet tevens een bestrijding betekent van de stelling van Saenwonen dat hij een kamer in de woning huurde en dus slechts onderhuurder was.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f8f55471dcd5525ccc5c5bd47d0f48ebb867a671357efa9b067c7f992d90dfdd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f8f55471dcd5525ccc5c5bd47d0f48ebb867a671357efa9b067c7f992d90dfdd, en de alinea staat in dat document op bytes 8689 tot 11136.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f8f55471dcd5525ccc5c5bd47d0f48ebb867a671357efa9b067c7f992d90dfdd | shasum -a 256