Citaat | Hoge Raad 3 oktober 2003
Alinea 38 Hoge Raad 3 oktober 2003
Een alinea uit Hoge Raad 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI1596.
3.3.2 Bij de beoordeling van deze onderdelen moet worden vooropgesteld dat de rechtbank kennelijk ervan is uitgegaan dat in 1995 een huurovereenkomst is totstandgekomen tussen [verzoeker] en de rechtsvoorganger van [verweerder], en dat deze overeenkomst kenmerken heeft van huur en verhuur van woonruimte en daarnaast van niet onder het regime van art. 7A:1624 (oud) BW vallende huur en verhuur van bedrijfsruimte. Bij een zodanige overeenkomst dient het gehuurde slechts dan niet in zijn geheel als woonruimte te worden aangemerkt indien het, mede in aanmerking genomen de inrichting en hetgeen partijen omtrent het gebruik voor ogen stond, in overwegende mate voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik is, bij welke afweging in het bijzonder betekenis toekomt aan het vloeroppervlak en het aantal vertrekken (HR 5 november 1993, nr. 8224, NJ 1994, 228). In het licht hiervan heeft de rechtbank bij haar hiervoor weergegeven oordeel dat de partijbedoeling bij het sluiten van de huurovereenkomst doorslaggevend was, hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. Van een onjuiste rechtsopvatting is sprake, indien het oordeel berust op de gedachte dat ook bij een gemengde huurovereenkomst als de onderhavige de maatstaf dient te worden gehanteerd die geldt wanneer het betreft een overeenkomst die gedeeltelijk betrekking heeft op woonruimte en gedeeltelijk op bedrijfsruimte die wel valt onder art. 7A: 1624 (oud) BW, welke maatstaf - inhoudende dat beslissend is hetgeen partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik daarvan voor ogen heeft gestaan - is neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1993, nr. 15170, NJ 1994, 215. Indien de rechtbank heeft bedoeld toepassing te geven aan de in genoemde beschikking van 5 november 1993 neergelegde maatstaf, heeft zij haar oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed, nu zij geen blijk heeft gegeven te hebben acht geslagen op de elementen die - naast hetgeen partijen omtrent het gebruik voor ogen stond - van belang zijn bij het antwoord op de vraag of sprake is van woonruimte waarop de HPW van toepassing is. De onderdelen 2 en 3 treffen doel, zodat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en de overige onderdelen geen behandeling behoeven. Na verwijzing zal alsnog aan de hand van de juiste maatstaf moeten worden onderzocht of het gehuurde in zijn geheel al dan niet als woonruimte moet worden aangemerkt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c840ce1f9384b8e355e904cd73254cd4e3eef39731620cc96e57a278121e5b15. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c840ce1f9384b8e355e904cd73254cd4e3eef39731620cc96e57a278121e5b15, en de alinea staat in dat document op bytes 11429 tot 13942.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c840ce1f9384b8e355e904cd73254cd4e3eef39731620cc96e57a278121e5b15 | shasum -a 256