Citaat | Hoge Raad 14 november 2003

Alinea 44 Hoge Raad 14 november 2003

Een alinea uit Hoge Raad 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK4841.

3.5.1 Onderdeel 2 keert zich tegen de beslissing van de rechtbank dat het op de weg van [betrokkene 1] en [eiser 3] had gelegen om in hoger beroep tegenover het door [verweerster] geleverde bewijs voldoende redengevende feiten en omstandigheden te stellen die tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven en dat, nu zij dat hebben nagelaten, voor het leveren van (tegen)bewijs geen plaats meer is. Volgens onderdeel 2.1 heeft de rechtbank hiermee miskend dat het leveren van tegenbewijs bij het verhoor van getuigen van rechtswege vrij staat. Voor zover de rechtbank van oordeel was dat het bewijsaanbod onvoldoende was gespecificeerd, klaagt het onderdeel dat de rechtbank dan heeft miskend dat het aanbod van tegenbewijs geen specificatie behoeft. Onderdeel 2.2 acht het oordeel dat geen voldoende redengevende feiten en omstandigheden zijn gesteld, onbegrijpelijk, omdat [betrokkene 1] in appel heeft aangeboden om andere omwonenden en buurtwinkeliers te horen, waarvan één met name genoemde die [betrokkene 2] regelmatig sprak en uit eigen wetenschap zou kunnen verklaren dat [verweerster] niet bij haar moeder woonde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebb5be4db7c3f8c9d569e685ef3fd8d8d1803f9a0719f3d087e2320c43615cfc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebb5be4db7c3f8c9d569e685ef3fd8d8d1803f9a0719f3d087e2320c43615cfc, en de alinea staat in dat document op bytes 17302 tot 18440.