Citaat | Hoge Raad 14 november 2003
Alinea 39 Hoge Raad 14 november 2003
Een alinea uit Hoge Raad 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8321.
3.3 De rechtbank heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat geen sprake is van een stilzwijgende verlenging van de huurovereenkomst. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag van de vordering van [verweerster] heeft de rechtbank evenwel geoordeeld dat [eiser] in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op overschrijding van de termijn bedoeld in art. 7A:1623i lid 2 (oud) BW. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen. [Eiser], buurman van [verweerster], had uit de in rov. 4.3 vermelde omstandigheden kunnen afleiden dat [verweerster] vooralsnog in de woning wilde blijven wonen. Nu [verweerster] over voortzetting van de huur bleef zwijgen, had het voor de hand gelegen dat [eiser] haar daarover aansprak. Het moet ervoor worden gehouden dat [eiser] óf niet op de hoogte is geweest van de termijn waarbinnen [verweerster] voortzetting van de huur had moeten vorderen bij de kantonrechter óf dat hij daarover bewust heeft gezwegen tegenover [verweerster]. In het eerste geval moet worden geoordeeld dat hij vanaf het moment van overlijden van haar moeder heeft gedoogd dat [verweerster] de huur heeft voortgezet. In het tweede geval is het de vraag of hij, gelet op de onderlinge verhouding van partijen, heeft mogen zwijgen. Die vraag valt niet zonder meer ondubbelzinnig te beantwoorden. Daar komt echter bij dat [eiser] ook na het verloop van de termijn van zes maanden de voortzetting van de huur niet ter sprake heeft gebracht. Pas bijna vijf maanden na het einde van de termijn heeft [eiser] zich schriftelijk tot [verweerster] gewend. Dát is, in het licht van het hiervoor overwogene, in elk geval te laat om in redelijkheid nog een beroep op overschrijding van de termijn van zes maanden te kunnen doen, aldus de rechtbank (rov. 4.4). In rov. 4.5 heeft de rechtbank daaraan nog toegevoegd van oordeel te zijn dat aan de artikelen 7A:1609 (oud) en 1623 (oud) BW de gedachte ten grondslag ligt dat het stilzitten van de huurder inclusief het blijven incas-seren van de huur(vergoeding) niet onder alle omstandigheden zonder consequenties blijft. De verhuurder moet er aldus op bedacht zijn dat onder omstandigheden van hem wordt gevergd tijdig actie te ondernemen in het geval dat iemand volgens hem zonder recht of titel het gebruik van het (voorheen) gehuurde voortzet. Bij gebreke daarvan wordt bij de wederpartij de indruk gewekt dat deze de huur mag voortzetten. In die zin, aldus de rechtbank, ondersteunt de regeling in die artikelen wel de verwerping van het beroep op overschrijding van de termijn van zes maanden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7529ce9a2fc2ddb57407c7068e8c5d17a4492b4e31c762cd7e8839015d56086b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7529ce9a2fc2ddb57407c7068e8c5d17a4492b4e31c762cd7e8839015d56086b, en de alinea staat in dat document op bytes 9975 tot 12585.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7529ce9a2fc2ddb57407c7068e8c5d17a4492b4e31c762cd7e8839015d56086b | shasum -a 256