Citaat | Hoge Raad 21 oktober 2003

Alinea 64 Hoge Raad 21 oktober 2003

Een alinea uit Hoge Raad 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3537.

4.4. Voorzover het middel de klacht bevat dat het Hof het aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte heeft afgewezen op grond van zijn oordeel dat een verdachte, na enige tijd in voorlopige hechtenis te hebben doorgebracht, gehouden is zijn ontkennende proceshouding te laten varen en een bekentenis af te leggen, op straffe van verdere gevangenisstraf in plaats van het verrichten van onbetaalde arbeid, faalt de klacht wegens gebrek aan feitelijke grondslag. In de onder 4.2 weergegeven overwegingen, al zijn zij in wat minder gelukkige bewoordingen vervat, heeft het Hof zodanige algemene opvatting niet tot uitdrukking gebracht, doch kennelijk beoogd aan te geven dat in de onderhavige zaak de verdachte de ernst en de laakbaarheid van de door hem begane feiten, ondanks de door hem ondergane voorlopige hechtenis, niet inziet, welk gebrek aan inzicht naar 's Hofs oordeel mede blijkt uit de ongeloofwaardigheid van door de verdachte afgelegde verklaringen. Aldus heeft het Hof genoegzaam aangegeven waarom het het aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid heeft afgewezen. Voorzover het middel ook daarover klaagt treft de klacht geen doel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6bf96c10b00f6f94e44d803876cea209ace2d1ae7e10774e3de717af76650442. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6bf96c10b00f6f94e44d803876cea209ace2d1ae7e10774e3de717af76650442, en de alinea staat in dat document op bytes 23012 tot 24201.