Citaat | Hoge Raad 30 september 2003

Alinea 40 Hoge Raad 30 september 2003

Een alinea uit Hoge Raad 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6140.

Toen ik ongeveer zes maanden geleden [het slachtoffer] ophaalde voor autorijles zag ik op het balcon van haar woning aan de [a-straat] te [woonplaats] een man staan, die ik later leerde kennen als [aanvrager]. [Het slachtoffer] vertelde mij dat hij een huisgenoot was. Ik raakte met [aanvrager] bevriend. Terwijl [het slachtoffer] deze zomer met vakantie in Frankrijk verbleef hebben [aanvrager] en ik op een dag een kast op haar slaapkamer doorzocht omdat wij vermoedden dat er een hoop geld of een aantal spaarbrieven aan toonder of zoiets dergelijks in zou liggen. Uit bankafschriften en andere papieren die wij aantroffen bleek ons dat [het slachtoffer] een vermogen van f 1,8 miljoen bezat. Enige tijd later spraken wij erover hoe we dat geld in handen konden krijgen. Er werd het plan geopperd dat [aanvrager] met [het slachtoffer] zou trouwen. Ik kwam met [aanvrager] overeen dat ik zou meeprofiteren van de erfenis. Nadat het huwelijk op 29 september 1983 gesloten was is [aanvrager], zoals hij mij verteld heeft, op 9 oktober met [het slachtoffer] naar het kuuroord Bad Neuenahr gegaan. Van daaruit belde hij mij iedere dag op. Tijdens één van die telefoongesprekken zei hij mij dat hij contact gezocht had met een arts om een gezondheidsverklaring te krijgen voor [het slachtoffer]. Op mijn vraag waar hij die voor nodig had antwoordde hij, dat wanneer [het slachtoffer] iets zou overkomen, hij dan steviger in zijn schoenen stond. Na het huwelijk hebben wij thuis wel eens zitten praten over het overlijden van [het slachtoffer]. [Aanvrager] had het er onder andere over dat zij kwam te vallen in de badcel terwijl hij er niet was en doodbloedde. Ook is er wel over gesproken om het bad vol te laten lopen met water, zodat het een verdrinkingsdood leek. Ik kan wel zeggen dat er iedere keer over haar dood werd gesproken, ook bij het bezoek dat [betrokkene 2] en ik aan [aanvrager] brachten toen hij in Bad Neuenahr verbleef. [aanvrager] vertelde voortdurend dat het leven van [het slachtoffer] voor hem veel te lang duurde. Op de avond van 4 november 1983 ben ik op verzoek van [aanvrager] naar de woning aan de [a-straat] gegaan. Toen ik daar aankwam lag [het slachtoffer] in bed. Ik heb met [aanvrager] naar de televisie gekeken. Omstreeks 22.30 uur werd [aanvrager] door [het slachtoffer] geroepen. Toen hij na ongeveer tien minuten terugkwam zei hij tegen mij: "Ik heb zojuist haar bloeddruk opgenomen en die is abnormaal hoog. Ik denk dat het een aflopende zaak is". Nadat hij weer naar de slaapkamer van [het slachtoffer] was geweest zei hij woordelijk: "Ik zal haar nog een flinke slok geven." Ik zag toen dat hij gin, wijn en een scheut van een uit Suriname afkomstige drank met een alcoholpercentage van 95 die hij een keer van [betrokkene 2] had gekregen in een glas deed. Toen hij met het glas naar de slaapkamer liep ben ik hem achterna gegaan en bij de deur blijven staan kijken. Ik zag dat [het slachtoffer] iets transpireerde en op de rand van het bed zat. [Aanvrager] zette het glas aan haar mond en ik zag dat [het slachtoffer] een flinke slok nam. Ik ben weer naar de kamer gegaan. Na enkele minuten hoorde ik dat [aanvrager] mij riep. Ik ben naar hem toegegaan. Hij zei: "Ik denk dat het nu afgelopen is." Tussen het moment waarop hij een hoge bloeddruk constateerde en het moment dat hij zei dat zij was overleden heeft ongeveer drie kwartier gezeten. Toen [aanvrager] mij had verteld dat [het slachtoffer] een vreselijk hoge bloeddruk had heb ik [betrokkene 2] gebeld en haar gezegd dat ik langer wegbleef omdat [het slachtoffer] op sterven lag. Daarna heeft [aanvrager] ook nog met haar gesproken en gezegd dat het een aflopende zaak was. Nadat [het slachtoffer] was overleden heeft [aanvrager] het glas waaruit zij had gedronken omgespoeld en schoongemaakt. Hij zei dat hij dat deed omdat de dokter en de politie het glas met de drank die hij haar had gegeven niet mochten aantreffen. Later bij ons thuis heeft [aanvrager] verteld dat hij [het slachtoffer] die avond soep heeft opgediend waarin hij een scheut alcohol gegooid had van die fles van 95%. Deze fles alsmede diverse medicijnen die [aanvrager] in zijn koffer had zitten heeft hij bij elkaar gezocht. Ik heb deze goederen, waarvan [aanvrager] zei dat er door de politie en de dokter vragen over gesteld konden worden, in Vinkeveen in een glasbak gedeponeerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6cb071ce84283b48ff639c301fc44697b2bc2b37405255c63a4cf930cdd78766. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6cb071ce84283b48ff639c301fc44697b2bc2b37405255c63a4cf930cdd78766, en de alinea staat in dat document op bytes 12528 tot 16896.