Citaat | Hoge Raad 25 november 2003
Alinea 22 Hoge Raad 25 november 2003
Een alinea uit Hoge Raad 25 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM0215.
Het hof overweegt als volgt. Uit de omstandigheid dat de oproeping voor de zitting van 26 april 2002 op 13 februari 2002 aan een schriftelijk gemachtigde is uitgereikt valt op te maken dat verdachte tenminste omstreeks laatstgenoemde datum van de terechtzitting van 26 april 2002 op de hoogte was. Blijkens mededeling van de advocaat-generaal is verdachte op 16 maart 2002 uitgezet. Het hof is van oordeel dat verdachte vervolgens voldoende tijd heeft gehad om te bevorderen dat hij gebruik kon maken van zijn recht om bij de terechtzitting van 26 april 2002 aanwezig te zijn. Daarbij is van belang dat de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft verklaard dat de tijd tussen 16 maart 2002 en 26 april 2002 ruim voldoende zou zijn geweest om een laissez-passer te regelen. Niet aannemelijk is dat de verdachte niet in staat was zulks tijdig te bevorderen. Door zich pas op 25 april 2002 via een vriend tot mevrouw mr. Ficq te wenden en niet eerder iets te doen, moet hij geacht worden afstand te hebben gedaan van het recht om zelf bij de terechtzitting aanwezig te zijn. Het verzoek om aanhouding wordt mitsdien afgewezen."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/51a50b2f9017dd365f2f4af0617d99656a3c2a1cc86a2dd5450b4832d07de495. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 51a50b2f9017dd365f2f4af0617d99656a3c2a1cc86a2dd5450b4832d07de495, en de alinea staat in dat document op bytes 8323 tot 9462.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/51a50b2f9017dd365f2f4af0617d99656a3c2a1cc86a2dd5450b4832d07de495 | shasum -a 256