Citaat | Hoge Raad 28 november 2003

Alinea 59 Hoge Raad 28 november 2003

Een alinea uit Hoge Raad 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2314.

3.6 Voor zover 's hofs oordeel aldus moet worden verstaan dat het de voormelde regel niet heeft miskend, doch van oordeel was dat van de bevoegdheid van de desbetreffende advocaat terstond had moeten blijken uit een door de volmachtgever, [verweerster], ondertekend schriftelijk stuk, berust zijn oordeel eveneens op een onjuiste rechtsopvatting. Nu de bevoegdheid van mr. Veldjesgraaf namens zijn cliënt domicilie te kiezen in een geval als het onderhavige voortvloeit uit zijn aanstelling door [verweerster] als haar advocaat, diende het hof de hiervoor in 3.1 onder (vi) bedoelde brief als een namens [verweerster] ondertekende akte van domiciliekeuze aan te merken en brengt de aan art. 3:71 lid 2 BW ten grondslag liggende gedachte mee dat het hof niet bevoegd was overlegging van een bewijs van de volmacht van mr. Veldjesgraaf te verlangen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/130fdd85d5c5f474638f68b5bf6873b156936ca31f2edd05a1f49d5f15af4656. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 130fdd85d5c5f474638f68b5bf6873b156936ca31f2edd05a1f49d5f15af4656, en de alinea staat in dat document op bytes 15375 tot 16236.