Citaat | Hoge Raad 18 november 2003
Alinea 16 Hoge Raad 18 november 2003
Een alinea uit Hoge Raad 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8293.
2.2. De termijn van twee maanden, zoals vermeld in het tweede lid van art. 437 Sv, vangt aan op het tijdstip dat de aanzegging aan de verdachte is betekend. Op straffe van niet-ontvankelijkheid is de verdachte verplicht binnen die termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie te doen indienen. Daaruit volgt dat de raadsman ervoor dient zorg te dragen dat de schriftuur vóór afloop van deze termijn haar bestemming bereikt, wil de verdachte ontvankelijk zijn in het cassatieberoep. Van deze plicht kan de raadsman zich op verscheidene wijzen kwijten. De raadsman die bijvoorbeeld een poststuk niet aangetekend of niet (tevens) per fax verstuurt of zich niet tijdig ervan vergewist dat het stuk is aangekomen, draagt behoudens bijzondere omstandigheden het risico dat het stuk niet, of niet binnen de gestelde termijn is aangekomen. Hetgeen mr. Boksem heeft aangevoerd levert zodanige bijzondere omstandigheden niet op.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39fbe467f0b4027f79cef0ef0b750659e58203f83b40efac4c92b9f40517b051. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39fbe467f0b4027f79cef0ef0b750659e58203f83b40efac4c92b9f40517b051, en de alinea staat in dat document op bytes 6144 tot 7099.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/39fbe467f0b4027f79cef0ef0b750659e58203f83b40efac4c92b9f40517b051 | shasum -a 256