Citaat | Hoge Raad 7 mei 2004

Alinea 214 Hoge Raad 7 mei 2004

Een alinea uit Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988.

51. Het uitleveringsverbod voor politieke delicten heeft in het begin van de 19e eeuw gestalte gekregen.(33) Deze ontwikkeling moet worden bezien in het licht van de gebeurtenissen na de Franse Revolutie. De jonge, liberale, democratieën vatten steeds meer sympathie op voor tegenstanders van autocratische regimes. Uitlevering van dergelijke politieke geestverwanten die in verzet kwamen tegen het soort regimes waar de jonge democratieën zich net zelf van bevrijd hadden, werd niet wenselijk geacht.(34) Swart noemt dit "recht op verzet" dan ook als één van de drie legitimaties van het uitleveringsverbod voor politieke delicten. Hij wijst erop dat in de loop der tijd nog twee andere legitimaties zijn ontstaan: de wenselijkheid om zich als staat afzijdig te houden van de interne politieke conflicten in een andere staat en het risico dat aan uitlevering van politieke delinquenten is verbonden dat de uitgeleverde persoon in de verzoekende staat geen fair en onpartijdig proces zal krijgen. Zie hierover uitgebreid Swart, o.c., p. 247 e.v. Het uitleveringsverbod voor politieke delicten is inmiddels in vrijwel alle uitleveringsverdragen vastgelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b, en de alinea staat in dat document op bytes 83227 tot 84399.