Citaat | Hoge Raad 7 mei 2004
Alinea 231 Hoge Raad 7 mei 2004
Een alinea uit Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988.
57. Zowel Keijzer als Swart wijzen er in dit verband op dat door deze benadering de eerste en tweede pijler van de uitleveringsexceptie, te weten het recht op verzet en de wens om zich afzijdig te houden van interne conflicten in een andere staat, naar de achtergrond zijn verdrongen. Vgl. Keijzer (oratie), p. 23 en Swart, o.c., p. 251. Dit beeld wordt bevestigd in de parlementaire geschiedenis, met name de goedkeuringswet voor het ETV,(42) waaruit volgt dat de gelijkgezinde pluralistische, open democratieën, verenigd in de Raad van Europa, er een gezamenlijk belang bij hebben zich "elkaars politieke lot nu juist wel sterk aan te trekken" en aantastingen van de democratische verworvenheden te helpen bestrijden of aan de kaak te stellen. In deze gedachtegang bedreigt politiek geweld de democratie en de mensenrechten in hun kern en is de bescherming van die waarden bij uitstek een gemeenschappelijk belang dat het opheffen van de exceptie van het politieke delict rechtvaardigt. Vgl. Swart, o.c., p. 249.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b, en de alinea staat in dat document op bytes 90715 tot 91743.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b | shasum -a 256