Citaat | Hoge Raad 7 mei 2004

Alinea 232 Hoge Raad 7 mei 2004

Een alinea uit Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988.

58. In deze benadering resteert derhalve als enige legitimatie voor het voortbestaan van de politieke exceptie de derde pijler, het risico van een unfair proces in de verzoekende Staat. Dat risico kan evenwel ook op een andere wijze worden ingedamd. Zo bepaalt art. 5 ETV, de zogenaamde vluchtelingenexceptie, dat uitlevering mag worden geweigerd wanneer de aangezochte Staat ernstige redenen heeft aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid. Bovendien zijn de Staten van de Raad van Europa aangesloten bij het EVRM en hebben zij (inmiddels allemaal) het individuele klachtrecht erkend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b, en de alinea staat in dat document op bytes 91763 tot 92505.