Citaat | Hoge Raad 7 mei 2004
Alinea 289 Hoge Raad 7 mei 2004
Een alinea uit Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988.
104. Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting bij de rechtbank niet aangevoerd dat de opgeëiste persoon zich na uitlevering in Turkije niet met vrucht zal kunnen beroepen op een dan eventueel jegens haar gemaakte inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM. Ik vermag ook niet in te zien hoe, mocht de verdediging ter zitting van heden alsnog een dergelijk verweer voeren, dit verweer zou kunnen slagen. Turkije heeft het individueel klachtrecht bij het EHRM erkend, zodat, los van de nationale rechtsmiddelen, een beroep bij het Europese Hof wegens een vermeende schending van art. 6 EVRM hoe dan ook tot de mogelijkheden behoort.(69)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b, en de alinea staat in dat document op bytes 130352 tot 131005.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b | shasum -a 256