Citaat | Hoge Raad 7 mei 2004

Alinea 296 Hoge Raad 7 mei 2004

Een alinea uit Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988.

111. De opgeëiste persoon heeft ten overstaan van de Amsterdamse rechtbank erkend dat zij lid was van de PKK en dat zij de activiteiten heeft verricht die kunnen worden gekwalificeerd als deelname aan die organisatie in de zin van art. 140 Sr. Van een onschuldbewering in de zin van art. 26, derde lid, Uw kan dan ook geen sprake zijn. Ter zitting bij de rechtbank is door de verdediging een dergelijk verweer wel gevoerd (p. 29 pleitnotities), maar aan dat verweer lag het standpunt ten grondslag dat de opgeëiste persoon zelf aan de aanslagen zou moeten hebben deelgenomen om te kunnen spreken van deelname aan de criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr. Dat standpunt vindt geen steun in het recht, zoals in de onderhavige zaak door de Hoge Raad werd bevestigd. Persoonlijke betrokkenheid bij de aanslagen is niet vereist, al geef ik toe dat de aanvullende vragen, eerst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en vervolgens van de rechtbank bij brief van 4 februari 2002 resp. proces-verbaal van de zitting van 30 augustus 2002, aan de Turkse autoriteiten over de deelname van de opgeëiste persoon aan de gewapende acties daar wel op lijken te duiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b, en de alinea staat in dat document op bytes 134309 tot 135491.