Citaat | Hoge Raad 7 mei 2004

Alinea 325 Hoge Raad 7 mei 2004

Een alinea uit Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988.

2 Dat de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd onder art. 140 Sr vallen heeft de Hoge Raad dus reeds vastgesteld. Voor de rol die de opgeëiste persoon binnen de PKK gespeeld heeft en op grond waarvan zij als deelnemer aan die criminele organisatie kan worden aangemerkt, verwijs ik naar mijn conclusie voor het tussenarrest van 17 juni 2003. Daarin is weergegeven wat de Turkse autoriteiten in dit verband hebben gesteld, namelijk dat de opgeëiste persoon - kort gezegd - leiding heeft gegeven en heeft deelgenomen aan een verboden terroristische organisatie, waarbij dat leiding geven en die deelneming bestaan uit het lid zijn van de presidentiële raad van die organisatie, het deelnemen aan, voorbereiden van en bevelen geven bij gewapende acties door die organisatie, het via de televisie propaganda maken voor die organisatie en het militair trainen van vrouwelijke leden van een aan die organisatie gelieerde organisatie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ec1d63d231cdc629bf80b47ad90a9a0037eebc9bb5122850a6be27de29ab42b, en de alinea staat in dat document op bytes 148182 tot 149130.