Citaat | Hoge Raad 30 januari 2004
Alinea 49 Hoge Raad 30 januari 2004
Een alinea uit Hoge Raad 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF8839.
(a) Het meest verstrekkende verweer van [eiseres] is dat de rechtbank de ontvanger niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat deze zijn vordering in de eerste procedure niet alleen heeft gebaseerd op art. 40 Iw 1990, maar ook op onrechtmatige daad en omdat de beperkingen die zijn verbonden aan de uitoefening van de bijzondere bevoegdheden op grond van de Iw 1990, ook gelden voor de gelijktijdige uitoefening van civielrechtelijke bevoegdheden (rov. 4.2). Dit verweer faalt met name omdat art. 49 paragraaf 3 onder 2 van de Leidraad onder meer bepaalt dat de mogelijkheid bestaat een derde voor een belastingschuld aansprakelijk te stellen op andere gronden (dan aan de Iw ontleend), dan wel van dezelfde derde bij wege van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad een bedrag ten belope van (in beginsel) de belastingschuld te vorderen (rov. 4.3).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/023fc537eed898306e0dd42fd282f07f96f6caf7c2fa99119107fe86ca57b5c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 023fc537eed898306e0dd42fd282f07f96f6caf7c2fa99119107fe86ca57b5c0, en de alinea staat in dat document op bytes 14768 tot 15640.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/023fc537eed898306e0dd42fd282f07f96f6caf7c2fa99119107fe86ca57b5c0 | shasum -a 256