Citaat | Hoge Raad 30 januari 2004

Alinea 65 Hoge Raad 30 januari 2004

Een alinea uit Hoge Raad 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF8839.

Deze klacht faalt eveneens. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 3.6-3.7 is overwogen over de samenloop tussen art. 40 Iw 1990 en art. 6:162 BW en in 3.8 over de 'tweewegenleer', brengt een redelijke uitleg van art. 49 paragraaf 3 van de Leidraad Iw 1990 niet mee dat de daarin genoemde fatale termijn ook heeft te gelden voor een door de ontvanger ingestelde vordering die is gebaseerd op een door een derde jegens hem gepleegde onrechtmatige daad, als gevolg waarvan de invordering van de met toepassing van de belastingwetgeving vastgestelde belastingschulden wordt gefrustreerd. Dit wordt niet anders op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder ook niet op grond van het rechtszekerheidsbeginsel, met name gelet op de hiervoor in 3.7 geciteerde wetsgeschiedenis.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/023fc537eed898306e0dd42fd282f07f96f6caf7c2fa99119107fe86ca57b5c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 023fc537eed898306e0dd42fd282f07f96f6caf7c2fa99119107fe86ca57b5c0, en de alinea staat in dat document op bytes 27991 tot 28816.