Citaat | Hoge Raad 23 januari 2004

Alinea 18 Hoge Raad 23 januari 2004

Een alinea uit Hoge Raad 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0416.

3.1.3. In de door D met belanghebbende gesloten stamrechtovereenkomst is bepaald dat D bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd jegens belanghebbende aanspraak heeft op een dadelijk ingaande periodieke uitkering als bedoeld in artikel 25, lid 1, aanhef en letter g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, te zijner keuze, hetzij uitsluitend op zijn eigen leven, hetzij geheel of gedeeltelijk mede op het leven van zijn echtgenote, hetzij van zijn echtgenote alleen, tot het jaarlijks bedrag, dat volgens de tarieven van een door hem aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij op die dag kan worden verkregen voor een koopsom, welke gelijk is aan de sinds 31 maart 1989 tegen 7 percent per jaar opgerente som van ƒ 130.043 met dien verstande dat partijen daarbij in zodanige mate rekening zullen houden met de omstandigheid dat deze periodieke uitkering niet van een levensverzekeringsmaatschappij is bedongen als alsdan door de fiscus casu quo de belastingrechter toegelaten zal worden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1b641f78e0d6e63eec3b0c8e1bff838cd0e06a1ed20889973e16fbd58e54a69b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1b641f78e0d6e63eec3b0c8e1bff838cd0e06a1ed20889973e16fbd58e54a69b, en de alinea staat in dat document op bytes 7371 tot 8379.