Citaat | Hoge Raad 23 januari 2004
Alinea 21 Hoge Raad 23 januari 2004
Een alinea uit Hoge Raad 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0416.
3.1.4. De ingevolge de stamrechtovereenkomst ontstane stamrechtverplichting van belanghebbende is tot en met 1995 gewaardeerd met inachtneming van een rekenrente van 7 percent per jaar. Deze wijze van waardering zou leiden tot een waarde van de stamrechtverplichting per 31 december 1996 van ƒ 239.079. In haar aangifte vennootschapsbelasting 1996 heeft belanghebbende de stamrechtverplichting evenwel gewaardeerd op ƒ 388.664, zijnde de tegen een rekenrente van 4 percent contant gemaakte som van ƒ 759.611 welke in 2014 beschikbaar dient te zijn voor de toegezegde uitkering. Voor het Hof heeft belanghebbende het subsidiaire standpunt ingenomen dat deze verplichting moet worden gewaardeerd door het bedrag van ƒ 759.611 contant te maken tegen een rekenrente gelijk aan de marktrente per 31 december 1996 - zijnde 5 percent -, hetgeen leidt tot een waardering op ƒ 330.059.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1b641f78e0d6e63eec3b0c8e1bff838cd0e06a1ed20889973e16fbd58e54a69b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1b641f78e0d6e63eec3b0c8e1bff838cd0e06a1ed20889973e16fbd58e54a69b, en de alinea staat in dat document op bytes 8903 tot 9798.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1b641f78e0d6e63eec3b0c8e1bff838cd0e06a1ed20889973e16fbd58e54a69b | shasum -a 256