Citaat | Hoge Raad 23 januari 2004

Alinea 25 Hoge Raad 23 januari 2004

Een alinea uit Hoge Raad 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0416.

3.3.1. Het Hof is - kennelijk en niet onbegrijpelijk - ervan uitgegaan dat in dit geval geen sprake is van een aangegane rentedragende schuld, doch dat de rente slechts een functie heeft voor het bepalen van de uiteindelijke omvang van de - langlopende - verplichting. In een zodanig geval geldt dat de verplichting, in overeenstemming met hetgeen is overwogen in de arresten HR 28 juni 2000, nr. 34169, BNB 2000/275 en HR 25 juli 2000, nr. 34742, BNB 2001/2, op de winstbepalende balans mag worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichting, met dien verstande dat bij een daling van de rentestand, zoals hier het geval is, de verplichting dienovereenkomstig hoger mag worden gewaardeerd en bij een nadien optredende stijging van de rentestand de verplichting dienovereenkomstig lager moet worden gewaardeerd, doch niet lager dan naar de rente waartegen de verplichting oorspronkelijk is gewaardeerd. Het middel faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1b641f78e0d6e63eec3b0c8e1bff838cd0e06a1ed20889973e16fbd58e54a69b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1b641f78e0d6e63eec3b0c8e1bff838cd0e06a1ed20889973e16fbd58e54a69b, en de alinea staat in dat document op bytes 10704 tot 11706.