Citaat | Hoge Raad 16 januari 2004
Alinea 48 Hoge Raad 16 januari 2004
Een alinea uit Hoge Raad 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2341.
3.8 Onderdeel 5 wordt tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft in rov. 7, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat het verstekvonnis geacht moet worden ten uitvoer te zijn gelegd tussen 26 januari 1998, de dag waarop het GUO wekelijks een bedrag van ƒ 79,20 is gaan inhouden op de periodieke uitkering van [eiser], en 1 november 1998, de dag waarop die uitkering en daarmee ook de inhouding is geëindigd. Door vervolgens te oordelen dat (met inachtneming van de hiervóór in 3.4 bedoelde in de rechtspraak ontwikkelde regel) voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzet ervan kan worden uitgegaan dat de eerste uitbetaling aan de beslaglegger heeft plaatsgevonden ten laatste op 1 november 1998 en dat daarom het pas op 5 april 2000, derhalve aanzienlijk later dan 14 dagen na 1 november 1998, ingestelde verzet niet ontvankelijk is, heeft het hof op zichzelf, derhalve afgezien van hetgeen hiervóór in 3.7 is overwogen, niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/59d6debf9a81939b7104fea2027467f4266f1ec05543452acaa9a86c847d93df. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 59d6debf9a81939b7104fea2027467f4266f1ec05543452acaa9a86c847d93df, en de alinea staat in dat document op bytes 16009 tot 17050.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/59d6debf9a81939b7104fea2027467f4266f1ec05543452acaa9a86c847d93df | shasum -a 256