Citaat | Hoge Raad 9 januari 2004
Alinea 37 Hoge Raad 9 januari 2004
Een alinea uit Hoge Raad 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8082.
4.8 Een voorlopige machtiging in de zin van art. 2 e.v. Wet Bopz onderscheidt zich, voor zover hier van belang, slechts hierin van een machtiging tot voortgezet verblijf in de zin van art. 15 e.v. dat een voorlopige machtiging een geldigheidsduur heeft van ten hoogste zes maanden (art. 10 lid 4 Wet Bopz), terwijl een machtiging tot voortgezet verblijf een geldigheidsduur heeft van ten hoogste een jaar (art. 17 lid 3 Wet Bopz). Nu in de bestreden beschikking een rechterlijke machtiging is gegeven voor een periode van drie maanden, onderscheidt die machtiging zich slechts in haar benaming van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 in verbinding met art. 3 Wet Bopz. In aanmerking genomen dat de rechtbank - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld dat aan de criteria genoemd in art. 2 Wet Bopz is voldaan, zou verzoeker geen belang hebben gehad bij zijn in onderdeel 1 geformuleerde klacht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/19dfcd44e425b0f4116aa49c1ec0499e973152860043e81263beefdf7c4ba5ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 19dfcd44e425b0f4116aa49c1ec0499e973152860043e81263beefdf7c4ba5ff, en de alinea staat in dat document op bytes 13311 tot 14233.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/19dfcd44e425b0f4116aa49c1ec0499e973152860043e81263beefdf7c4ba5ff | shasum -a 256