Citaat | Hoge Raad 30 januari 2004

Alinea 44 Hoge Raad 30 januari 2004

Een alinea uit Hoge Raad 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8601.

3.7 In het onderhavige geval heeft de rechtbank dus, naar onderdeel 5 terecht betoogt, ten onrechte geoordeeld dat [verweerder] zijn vordering, voor zover thans van belang, heeft gegrond op art. 7:658 lid 4 BW. [verweerder] heeft die vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade op te maken bij staat gegrond op art. 6:162 BW, zodat de rechtbank in eerste aanleg heeft recht gedaan en geen cassatieberoep tegen haar vonnis openstaat. [Eiseres] dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/522dbdb3e2714d100aa3c7050e7aaf181f70683adf4fcfffcccf007b9c495009. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 522dbdb3e2714d100aa3c7050e7aaf181f70683adf4fcfffcccf007b9c495009, en de alinea staat in dat document op bytes 14380 tot 14931.