Citaat | Hoge Raad 13 januari 2004

Alinea 63 Hoge Raad 13 januari 2004

Een alinea uit Hoge Raad 13 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9235.

3.4. De steller van het middel stelt zich subsidiair op het standpunt dat het oordeel van het Hof dat de Officier van Justitie ten onrechte is uitgegaan van de veronderstelling dat het gehele onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg pas op 2 mei 2002 zou zijn afgerond, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Daartoe wordt gesteld dat de Rechtbank bij de Officier van Justitie, door de zaken in haar uitspraak van 30 augustus 2001 niet uitdrukkelijk te splitsen en niet expliciet de heropening van het onderzoek te beperken tot het onder 5 tenlastegelegde feit, de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat over alle vraagpunten genoemd in de art. 348 en 350 Sv ten aanzien van alle feiten alsnog bij één eind-uitspraak zou worden beslist en dat het hoger beroep binnen veertien dagen na die einduitspraak zou moeten worden ingesteld. In het middel wordt een beroep gedaan op HR 16 september 1996, NJ 1997, 122.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/adafb2ea6ab81b41f09ad6274a3266f0df6bebbf1c774b2e37d896d897ad714c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt adafb2ea6ab81b41f09ad6274a3266f0df6bebbf1c774b2e37d896d897ad714c, en de alinea staat in dat document op bytes 19146 tot 20086.