Citaat | Hoge Raad 17 september 2004
Alinea 29 Hoge Raad 17 september 2004
Een alinea uit Hoge Raad 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3145.
4.1.2. Indien, zoals in het onderhavige geval, aan de orde is een door een levensverzekeraar in het kader van de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf gesloten overeenkomst, dient voor de toepassing van het BRV voor de overeenkomst in haar geheel te worden bezien of deze is aan te merken als een overeenkomst van levensverzekering. Er is geen reden bij een gemengde verzekering, waarbij een spaarpremie valt te onderkennen, anders te oordelen, tenzij doel en strekking van het BRV zich daartegen zouden verzetten. Aanwijzingen ontbreken dat de besluitgever in gevallen waarin overigens aan de eisen voor het vormen van een egalisatiereserve wordt voldaan, die faciliteit niet heeft willen bieden dan voorzover de door een levensverzekeraar als zodanig aangegane verplichtingen een onzeker karakter hebben. Een splitsing als door het Hof toegepast, en het afzonderlijk voor zowel het overlijdensrisicodeel als het spaardeel beoordelen of aan de vereisten voor een levensverzekeringsovereenkomst wordt voldaan, is niet reeds gewettigd op grond van de omstandigheden dat ten behoeve van de (interne) verwerking en calculatie en tegenover de verzekeringnemer de spaarpremie zichtbaar wordt gemaakt, dat de verzekeraar de ontvangen spaarpremies uitleent aan de financiële instelling die aan de verzekeringnemer een hypothecaire lening heeft verstrekt en dat de door de financiële instelling aan de verzekeraar te vergoeden rente overeenstemt met de hypotheekrente en de door de verzekeraar over het spaargedeelte van de verzekering gehanteerde rekenrente. Dat alles laat immers, ongeacht de wijze van berekening van de spaarpremie, onverlet dat nog steeds sprake kan zijn van een overeenkomst waarin in zijn totaliteit bezien de rechten en verplichtingen een overeenkomst van levensverzekering vormen. Ook de omstandigheid dat vanuit de verzekerde bezien de spaarpremies in economische zin met aflossingen van de parallel aan de verzekeringsovereenkomst door hem afgesloten lening gelijk kunnen worden gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Nu niet in geschil is dat de in het onderhavige geval aan de orde zijnde overeenkomst een overeenkomst van levensverzekering is, heeft het Hof, gelet op het hiervóór overwogene, ten onrechte geoordeeld dat met betrekking tot het gedeelte van de verzekeringsverplichtingen dat betrekking heeft op het spaardeel van de spaarhypotheekverzekering, geen premiereserve in de zin van het BRV kan worden gevormd. Middel I slaagt derhalve.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b3bc2eca950cc29b6a7e10175de9041998b214c96854a437cf38b1fed8dda0cb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b3bc2eca950cc29b6a7e10175de9041998b214c96854a437cf38b1fed8dda0cb, en de alinea staat in dat document op bytes 14062 tot 16558.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b3bc2eca950cc29b6a7e10175de9041998b214c96854a437cf38b1fed8dda0cb | shasum -a 256