Citaat | Hoge Raad 30 maart 2004
Alinea 69 Hoge Raad 30 maart 2004
Een alinea uit Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3545.
Het hof merkt op ingevolge art. 125g (oud) Wetboek van Strafvordering de machtiging tot het afluisteren van een telefoonlijn die in gebruik is bij een ander dan verdachte door de rechter-commissaris in een gerechtelijk vooronderzoek kan worden afgegeven indien het vermoeden bestaat dat verdachte deelneemt aan gesprekken over die telefoonlijn. Gelet op het voorgaande was er reden voor dat vermoeden, zodat in het gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 1] de machtiging van 22 augustus 1996 rechtmatig is verstrekt. Daarbij was de vraag of [medeverdachte 1] op die datum als verdachte moest worden aangemrkt gelet op bovenvermeld criterium van art. 125g (oud) Wetboek van Strafvordering van geen belang. Uit de afgetapte telefoongesprekken die [medeverdachte 1] na 22 augustus 1996 voerde rees begin september 1996 het vermoeden dat ook [medeverdachte 1] betrokken was bij de transport van verdovende noddelen. Tegen [medeverdachte 1] werd vervolgens op 16 september 1996 een gerechtelijk vooronderzoek geopend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/09aab2a26b047c9f11852d33d0c3b3beb70f1c585effd576c2b14a68f9ce3804. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 09aab2a26b047c9f11852d33d0c3b3beb70f1c585effd576c2b14a68f9ce3804, en de alinea staat in dat document op bytes 28064 tot 29095.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/09aab2a26b047c9f11852d33d0c3b3beb70f1c585effd576c2b14a68f9ce3804 | shasum -a 256