Citaat | Hoge Raad 17 augustus 2004
Alinea 19 Hoge Raad 17 augustus 2004
Een alinea uit Hoge Raad 17 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0169.
Het hof overweegt dat de politie op basis van het proces-verbaal van de RCID Utrecht, gedateerd 22 december 1999, in onderling verband en samenhang bezien met de op 12 september 1999 ten overstaan van de politie Utrecht gedane uitlatingen van de zoon van verdachte, de verkregen informatie aldus kon en mocht interpreteren dat op het adres [a-straat 1]A te [plaats B] wapens verborgen zouden zijn en - gelet op het beperkte tijdsverloop en het ontbreken van aanwijzingen van het tegendeel - op 17 januari 2000 nog steeds aanwezig zouden zijn. Dat de machtiging tot binnentreden niet vermeldt voor welk perceel deze is afgegeven staat naar het oordeel van het hof overigens niet in de weg aan de rechtmatigheid van de zoeking, nu uit het verslag van binnentreden blijkt dat deze voor het perceel [a-straat 1] A/B te [plaats B] was afgegeven. Nu in de machtiging wordt gesproken over "woning of woningen" moet worden aangenomen dat zij ziet op de (een of meer) woningen die zich op het perceel (blijken te) bevinden."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e09b3d530b84581530e98ab13aec2e03e46954e78fde275b8e3c50c328b82902. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e09b3d530b84581530e98ab13aec2e03e46954e78fde275b8e3c50c328b82902, en de alinea staat in dat document op bytes 7248 tot 8276.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e09b3d530b84581530e98ab13aec2e03e46954e78fde275b8e3c50c328b82902 | shasum -a 256